![]() | ||
![]() ![]() |
Loodsmansduin Met een hoogte van 24,3 meter boven NAP is het Loodsmansduin het hoogste duin van Texel. Hier stond men in vroeger tijden voortdurend op de uitkijk in afwachting van te beloodsen schepen. Zodra een schip in zicht kwam dat de begeleiding van een loods nodig had om tussen de gevaarlijke zandbanken door de weg naar de Zuiderzee te vinden, ontstond een wedstrijd tussen de loodsen. Degene die als eerste het desbetreffende schip wist te bereiken, had de klandizie. Het Loodsmansduin lag in de tijd van de VOC nog vlak aan zee. In die tijd was de Mokbaai een ankerplaats voor zeeschepen die op een gunstige wind voor vertrek lagen te wachten, maar afhankelijk van de tijd en de wind lagen de schepen in het hele gebied tussen Den Helder en Terschellling voor anker. Het beloodsen van schepen als bestaansbron voor de inwoners van Den Hoorn ontstond in de bloeitijd van de VOC. In het jaar 1783 werden bij Texel nog 1805 schepen beloodst. Aan deze bestaansbron kwam vrij snel een einde na de aanleg van het Noord-Hollands kanaal (1819 - 1824) en het Noordzeekanaal (1865 - 1875). Bovendien werd in het midden van de negentiende eeuw voor het zeegat van Texel een rijksloodsdienst ingesteld. In 1938 bouwde het Nederlandse leger een uitkijkpost op het Loodsmansduin. | |
|
Het Molengat, het water tussen Texel en de zandplaat De Razende
Bol (of Noorderhaaks), moest beschoten kunnen worden om de haven van Den Helder te kunnen verdedigen. Op het Loodsmansduin werd de
commandopost van de batterij Den Hoorn gevestigd. De kanonnen stonden opgesteld in het iets noordelijker gelegen gebied, de Bollekamer.
De batterij is als één van de laatste voorbeelden van Nederlandse vestingbouw tot Provinciaal Monument verklaard en in 1994 gerestaureerd.
In de bunker die de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog hebben gebouwd, is een gedeelte afgesloten om als overwinteringsplaats voor vleermuizen te
dienen. In deze ruimte is de temperatuur gelijkmatig en de luchtvochtigheid hoog. | ||
![]() ![]() |
De Schans Al voor de tijd van de VOC was de rede van Texel een belangrijke in- en uitvaarroute voor de schepen uit plaatsen aan de Zuiderzee. Om deze route te beschermen tegen de Spanjaarden nam Willem van Oranje het initiatief tot de aanleg van het fort De Schans. De Schans werd omstreeks 1574 gebouwd. Op de binnenplaats werden gebouwen zoals kazernes en opslagplaatsen gebouwd. In 1780 kon aan 320 manschappen onderdak geboden worden. In het noordelijke bastion bevond zich het ‘bomvrije’ magazijn, waarin 3.000 kg buskruit opgeslagen kon worden. In de Franse tijd werd het buskruitmagazijn vervangen door een kruitkamer. Met de nabij het fort gelegen sluis kon het laaggelegen land rondom het fort in noodgevallen onder water gezet worden. Diverse keren werd op De Schans krijgsraad gehouden onder voorzitterschap van vlootadmiraal Cornelis Tromp. Veroordelingen varieerden van ontheffing van alle rangen en eer door het voor de voeten breken van het geweer of zwaard tot en met de doodstraf. Executies werden ter plekke uitgevoerd. | |
|
In 1811 bracht Napoleon een bezoek aan De Schans waarna hij het fort liet vergroten en het met twee buurforten liet versterken. Het aan Oudeschild
grenzende fort Lunette lag ca. 700 meter ten oosten van De Schans en het fort Redoute ligt ca. 400 meter ten westen van De Schans. De Lunette en
de Redoute bestonden uit enkelvoudige aarden wallen en dienden ter dekking van De Schans bij eventuele aanvallen. Rond 1930 werden de Lunette,
de Redoute en een gedeelte van De Schans afgegraven om de grond te gebruiken voor dijkverzwaring. Het fort De Schans is eigendom van de Vereniging Natuurmonumenten en is grotendeels gerestaureerd. Voor rondleidingen op De Schans kunt u zich aanmelden bij het Maritiem en Jutters Museum. Galgenlandje Bij de kruising Schansweg/Zuidhaffel ligt rechts het zogenaamde 'Galgenlandje'. Hier stonden vroeger galgen waaraan misdadigers werden opgehangen. De galgen waren vanaf de rede van Texel zichtbaar en golden zo als waarschuwing voor de bemanning van boord van de schepen daar. De galgen werden ook gebruikt als bakens voor de zeelieden. | ||
![]() ![]() |
Brakestein Huize Brakestein heette oorspronkelijk 'het Huis aan den Put', maar werd rond 1745 vernoemd naar de familie Braak, die hier lange tijd woonde. De familie Braak had verschillende leden op hoge maatschappelijke posten, met name op maritiem gebied. In 1776 werd Brakestein verkocht aan Leendert den Berger, die er een buitenplaats van maakte waarbij hij een tuin in Franse stijl liet aanleggen. In deze tuin stonden o.a. beelden van Ceres en Neptunus die momenteel in de tuin van Atelier De Vermaning in Den Hoorn staan. In de tweede helft van de 19e eeuw raakte Brakestein sterk in verval. De toenmalige eigenaar gebruikte de kamers van Brakestein zelfs voor opslag van wol en graan. Aan het einde van de negentiende eeuw was Brakestein zo vervallen dat een gedeelte werd afgebroken en het huis verder verbouwd werd tot de huidige vorm. In een van de zalen van Hotel De Lindeboom in Den Burg bevindt zich een beschilderd houten kamerschot dat zeer waarschijnlijk uit Brakestein afkomstig is. Voordat het oude Brakestein werd afgebroken werden 2 daar aanwezige kamerschotten verplaatst naar 2 panden in de Weverstraat in Den Burg die eigendom waren van familie van de toenmalige eigenaar van Brakestein. In de jaren 60 van de 20e eeuw werden de schotten, die inmiddels Rijksmonument waren, geconserveerd en één werd bovendien gerestaureerd en in 1984 in De Lindeboom geplaatst waar het voor iedereen toegankelijk is. Bij de restauratie van dit scherm kwamen zelfs oude graankorrels tevoorschijn. Het geconserveerde scherm is nog steeds in opslag. | |
![]() ![]() ![]() |
Wezenputten en de Skilsloot Tegenover Brakestein bevinden zich de Wezenputten. Deze waren eigendom van het weeshuis, dat het water uit deze putten vooral verkocht aan de schepen die vanaf de rede van Texel vertrokken. De geldkist waarin de opbrengst van de waterverkoop bewaard werd, is nog te zien in het Maritiem en Jutters Museum. Door het hoge ijzergehalte (zichtbaar aan de bruine kleur) was het water langer houdbaar dan water dat elders werd ingenomen. De meegenomen voorraad was voldoende voor een reis van negen maanden, maar de meeste schepen konden aan de Tafelbaai bij Kaap de Goede Hoop een verversingsstop maken. Het betekende wel dat een gemiddeld VOC-schip met een bemanning van 250 'koppen' ruim 100.000 liter water meenam. De vaten met water werden via de Skilsloot naar de dijk vervoerd, waarna ze over de dijk getakeld werden. In 1795 werd de Skilsloot verlengd tot de in 1780 aangelegde haven, zodat de vaten niet meer over de dijk getrokken hoefden te worden. Behalve water namen de schepen op Texel schapen en varkens in als proviand voor onderweg. Bij voorkeur waren dat drachtige dieren zodat onderweg nu en dan een lekker zuiglam of speenvarkentje geserveerd kon worden. Verder werden ook wel eenden ingeslagen die gevangen werden in de eendenkooi bij Westergeest. De eenden werden licht gerookt en gezouten. Volgens het pachtcontract mocht de buurman van de eendenkooi geen lawaai maken als de wind in de richting van de eendenkooi stond. Ook matten kloppen en pannenkoeken bakken was dan niet toegestaan. Eenden houden blijkbaar niet van de geur van pannenkoeken. Aan het einde van de Skilsloot, op de plaats waar de watervaten over de dijk gehesen werden, heerste vaak grote bedrijvigheid. Vanzelfsprekend werden hier herbergen en tapperijen gevestigd en ontstond de naam Jeneverbuurtje. De officiële naam van deze straat is nu 't Buurtje. Verderop in Oudeschild bevond zich een heel nauw steegje, genaamd het Kollegat (gat = doorgang, kol = prostituee). Na een lang verblijf op zee verbrasten de zeelieden hier soms in enkele dagen hun zuurverdiende geld. Werknemers van de VOC, die pas in Amsterdam, Hoorn of Enkhuizen hun gage incasseerden, kwamen dat niet op Texel opmaken. Wel waren er veel VOC-bootslieden, -stuurlieden en -kapiteins die van Texel afkomstig waren. Zij spoedden zich na aankomst van hun schip op de rede naar hun vrouw en kinderen op het eiland. | |
|
Aagje Luytsen was zo'n Texelse vrouw die vaak jarenlang moest wachten op haar man, een VOC-stuurman die op China voer. Tijdens zijn afwezigheid
schreef zij hem brieven die ze met andere VOC-schepen naar de Oost stuurde. Ondanks de grote afstand bereikten die brieven hun bestemming.
Harman Kikkert, de stuurman in kwestie, bewaarde de brieven van Aagje als schatten. Toen het schip van Harman tijdens de Vierde Engelse Oorlog
door de vijand genomen werd, confisqueerden de Engelsen ook de privé-correspondentie van de opvarenden. Aagjes brieven werden in een Engels
archief teruggevonden en vertellen veel over Texel aan het eind van de achttiende eeuw. | ||
![]() ![]() ![]() |
Oudeschild Het witte kerkje, gebouwd in 1650, werd vooral bezocht door zeelieden die op de rede van Texel lagen. In 1740 werd de kerk vergroot. Het kerkje bezit drie mooie kroonluchters, waarvan de eerste geschonken werd door admiraal Cornelis Tromp. Michiel Adriaansz de Ruyter wilde niet voor hem onderdoen en schonk een nog grotere kroonluchter. De derde kroonluchter is waarschijnlijk afkomstig van de weduwe van Tromp. Daarnaast is de kerk in het bezit van een Tien-Gebodenbord uit 1651, geschonken door de Zaanse schipper Van Glaske. In de De Ruyterstraat bevindt zich Hotel De Zeven Provinciën, vernoemd naar het admiraalsschip van Michiel de Ruyter. In de zeventiende eeuw was hier ook al een herberg gevestigd, waar De Ruyter en andere bekende zeevaarders logeerden als hun schepen op de rede van Texel lagen te wachten op een gunstige wind voor vertrek. In de monumentale negentiende-eeuwse graanpakhuizen waarin het Maritiem en Jutters Museum is gevestigd wordt een beeld gegeven van de maritieme geschiedenis van Texel. In een 'gezonken scheepswrak' kan de bezoeker aan den lijve ervaren hoe het is onder water. Geluid, licht én de fraaie voorwerpen die hier te zien zijn, maken deze zaal tot een beleving die u niet mag missen. In dezelfde ruimte is een maquette opgesteld van de Rede van Texel anno 1650, en kan een behendigheidsspel gespeeld worden waarbij een schip over de gevaarlijke Zuiderzee veilig naar de Rede van Texel moet worden gebracht. In de juttersafdeling van het museum is een enorme hoeveelheid spullen verzameld die door jutters van het strand is meegenomen. Op het buitenterrein wordt in een aantal Texelse huisjes en wierschuren de ontwikkeling van Oudeschild, de visserij en het reddings- en loodswezen in al zijn facetten getoond. | |
|
Als gevolg van oorlogen, slechte economische omstandigheden en veranderingen in de scheepvaart maakte de haven van Oudeschild na 1780
verschillende malen slechte tijden door. Het kwam zelfs zover, dat men de haven verkleinde om op die manier de onderhoudskosten te verlagen.
De opkomst van de visserij - in 1890 waren al 170 blazers (kleine houten vissersschepen) geregistreerd en de komst van veerschepen maakten een
vergroting van de haven echter noodzakelijk. Door de sterke groei van het toerisme in de jaren na de Tweede Wereldoorlog groeide de vloot van de
veerdienst N.V. TESO in aantal en omvang, vooral voor het vervoer van de auto's van toeristen. Het vervoersaanbod groeide zo snel, dat er plannen
werden ontworpen voor een nieuwe haven. Na een heftige strijd werd besloten de veerhaven naar 't Horntje te verplaatsen, waardoor de vaartijd tot de
helft werd teruggebracht. | ||