![]() | ||
![]() |
Tot het einde van de 16e eeuw was de Nederlandse handel vooral gericht op de Oostzee. Goederen uit Indië werden gekocht van Portugese kooplieden,
die vooral leverden via de haven van Antwerpen. Door de oorlog met Spanje kwam hier verandering in. Spanje en Portugal sloten een verbond en
tegelijkertijd werd Antwerpen veroverd door de Spanjaarden. De aanvoer van producten uit het Verre Oosten stokte, waardoor steeds meer plannen
ontstonden om zelf 'op de Oost' te gaan varen. De plannen werden met name in praktijk gebracht door de talloze Zuid-Nederlandse kooplieden die zich, na de val van Antwerpen, in het noorden vestigden. Zij brachten het geld, de contacten en de kennis mee om een succesvolle 'Indië vaart' mogelijk te maken. Aanvankelijk stuurden de handelssteden ieder apart schepen naar de Oost. Van samenwerking was geen sprake. | |
| Integendeel: de concurrentie was zó hevig, dat de
Staten-Generaal in 1602 ingrepen. Alle firma's die met de Oost handel dreven, dienden te fuseren tot één grote handelsonderneming: de VOC.
Dit was het begin van de Gouden Eeuw. Als handelswaar vervoerde de VOC kruiden, specerijen, katoen, zijde en porselein naar Europa. De VOC beheerste een groot aantal jaren alle contacten tussen Noordwest- Europa en Azië. De ondergang van de VOC in de tweede helft van de 18e eeuw heeft meerdere oorzaken, waarvan wellicht de belangrijkste de maritieme overmacht van de Engelsen is geweest waardoor de republiek werd geïsoleerd. In 1799 ging de VOC failliet. De rede van Texel was al in de 15e eeuw een begrip. Schepen die vanuit plaatsen aan de Zuiderzee vertrokken, gingen op de rede van Texel voor anker om bij gunstige wind uit te varen naar de Oostzeelanden, Frankrijk, Spanje, Portugal en later ook Oostindië. Vooral in de 17e en 18e eeuw was het een drukte van belang op de rede van Texel. Schepen werden geladen en gelost; Texelse loodsschepen en bevoorradingsbootjes voeren af en aan en op de dijk bekeken voorbijgangers de bedrijvigheid. | ||